Na de eerste controle willen we graag dat je een bloedonderzoek laat doen. Dit onderzoek is wettelijk verplicht en moet gebeuren voor de 16e week van de zwangerschap.
Bij het bloedonderzoek wordt naar het volgende gekeken:
- Bloedgroep
- Rhesusfactor
- Irregulaire antistoffen
- Hepatitis B
- HIV
- Syfilis
- Hb (ijzergehalte )
- Glucose ( suiker )
Waarom is het van belang dat er op deze zaken geprikt wordt?
Bloedgroep: Je bloedgroep is vooral van belang om te weten als je veel bloedverlies hebt. Als je een bloedtransfusie nodig zou hebben, weten de artsen direct welk bloed jij nodig hebt. Er zijn 4 soorten bloedgroepen: A, B, AB en O.
Rhesusfactor: De rhesusfactor kun je je voorstellen als een stofje (eiwit) op je bloedcellen. Je kunt voor een rhesusfactor positief zijn of negatief. Als je rhesusfactor positief is betekent het ,dat je het stofje meedraagt op je bloedcellen. Het overgrote deel van de mensen is rhesus positief: ongeveer 85%.
Als je rhesusfactor negatief is betekent dat, dat je het stofje NIET met je meedraagt. Hier heb je in het gewone leven geen last van en het is ook niet schadelijk. Tijdens de zwangerschap is er echter iets bijzonders.
Het is mogelijk dat je zwanger bent van een rhesuspositief kind. Rond de 30e week van de zwangerschap zie je dat de placentawanden wat dunner worden en hierdoor het risico iets toeneemt dat bloedcellen van moeder en kind met elkaar in contact komen. Dit kan bijvoorbeeld door te hard te vallen, hard te stoten en soms gewoon zomaar.
Wat er gebeurd als de bloedcellen van moeder ( zonder stofje ) en de bloedcellen van het kind ( MET stofje ) elkaar ontmoeten is dat de moederlijke bloedcellen antistoffen gaan maken tegen de bloedcellen van het kind. Haar bloedcellen herkennen die van het kind immers niet. Als er antistoffen gemaakt worden tegen de bloedcellen betekent het dat deze worden afgebroken. Een kindje krijgt hier bloedarmoede van.
Voor alle duidelijkheid: dit geldt alleen voor rhesus-negatieve moeders!
Om dit alles nu te controleren doen we bij 30 weken een bloedtest. We kijken of je de antistoffen aan het maken bent.
Sinds 1 juli 2008 krijgen alle rhesus-negatieve moeders met 30 weken ook een injectie met anti-D.
Anti-D zorgt ervoor dat de paar bloedcellen van de baby die het gevaar lopen met de moederlijke bloedcellen in contact te komen, weggevangen worden voordat de moederlijke bloedcellen ze tegenkomen en antistoffen gaan maken. Op deze manier voorkomen we dat de antistoffen ontstaan.
Na de bevalling de rhesusfactor van de baby bepaald. Dit gebeurd via het bloed van de navelstreng. Als de baby inderdaad rhesuspositief blijkt te zijn, krijg je nogmaals een prik met anti-D.
Bij dit verhaal moet wel worden opgemerkt dat de antistoffen die in deze zwangerschap ontstaan in zeer geringe mate schadelijk zijn voor dit kind. Een eventueel volgend kind wordt al vanaf het begin van de zwangerschap geconfronteerd met de ontstane antistoffen en heeft er dus wel veel last van.
Irregulaire antistoffen: Dit zijn antistoffen die je niet hoort te hebben. Ze komen ook maar heel weinig voor. De gevolgen van deze antistoffen zijn vergelijkbaar met de gevolgen van de rhesus-antistoffen. Als deze antistoffen worden aangetoond, wordt er nader onderzoek gedaan naar de soort en het beste beleid.
Hepatitis B: Dit is een leverinfectie. Je lever heeft veel belangrijke functies. Door een ontsteking van de lever worden deze functies niet meer goed uitgeoefend. Hepatitis bij kun je bij je dragen zonder dat je het merkt. In de zwangerschap zal de baby niet besmet raken met het virus, maar tijdens de geboorte kan de baby er wel mee in aanraking komen en alsnog besmet raken. Als we weten dat je Hepatitis B bij je draagt, kunnen we besmetting voorkomen. Als blijkt dat je drager bent van het virus zullen we dit allemaal met je bespreken. Hepatitis B komt maar weinig voor onder zwangeren.
HIV: Dit is het virus dat uiteindelijk AIDS veroorzaakt. Het komt maar erg weinig voor Nederland. Toch is besloten dat alle zwangeren getest moeten worden op HIV. Als blijkt dat je HIV hebt, moet je gecontroleerd worden in het ziekenhuis. Er zijn tegenwoordig heel goede medicijnen tegen HIV, die ervoor kunnen zorgen dat de kans dat de baby besmet wordt met het HIV virus erg klein is.
Syfilis: Dit is een geslachtsziekte, ook wel Lues genaamd. In het begin van de zwangerschap beschermt de placenta de baby hiertegen. Later in de zwangerschap kan de baby er ook door geïnfecteerd raken. De ziekte moet daarom zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden. Als blijkt dat je syfilis hebt wordt je doorverwezen. Syfilis komt maar erg weinig voor in Nederland.
Hb: (ijzergehalte) IJzer in je bloed is verantwoordelijk voor het vervoeren van zuurstof. Als je ijzergehalte in je bloed laag is, is het vervoer van zuurstof in het bloed ook niet optimaal. De baby neemt wat hij nodig heeft en heeft er geen last van. Jij kan je daarentegen wel extreem moe voelen, last hebben van hartkloppingen of van hoofdpijn. We prikken je ijzer na de eerste controle en ergens rond de 30e week van je zwangerschap.
Glucose: (suikergehalte) Een hoog glucosegehalte kan een aanwijzing zijn voor het ontwikkelen van zwangerschapsdiabetes.
We testen je glucose uitgebreider als er sprake is van een van de volgende twee zaken:
- Als je BMI ( body-mass-index ) hoger is dan 30
- Als je grote kinderen hebt gebaard in het verleden.
De kans op zwangerschapsdiabetes is in deze gevallen hoger. De uitgebreidere test die dan gedaan wordt is de ontbijtcurve. Dit wordt tweemaal geprikt in de zwangerschap: rond de 24 weken en de 32 weken.
De ontbijtcurve bestaat uit 3 prikmomenten:
- Nuchter
- 1 uur na het ontbijt
- 2 uur na het ontbijt
Op deze manier krijgen we een goed beeld van hoe je lichaam reageert op wat je eet en of je bloedsuikers goed geregeld zijn.
Na de eerste controle willen we graag dat je een bloedonderzoek laat doen. Dit onderzoek is wettelijk verplicht en moet gebeuren voor de 16e week van de zwangerschap.
Bij het bloedonderzoek wordt naar het volgende gekeken:
- Bloedgroep
- Rhesusfactor
- Irregulaire antistoffen
- Hepatitis B
- HIV
- Syfilis
- Hb (ijzergehalte )
- Glucose ( suiker )
Waarom is het van belang dat er op deze zaken geprikt wordt?
Bloedgroep: Je bloedgroep is vooral van belang om te weten als je veel bloedverlies hebt. Als je een bloedtransfusie nodig zou hebben, weten de artsen direct welk bloed jij nodig hebt. Er zijn 4 soorten bloedgroepen: A, B, AB en O.
Rhesusfactor: De rhesusfactor kun je je voorstellen als een stofje (eiwit) op je bloedcellen. Je kunt voor een rhesusfactor positief zijn of negatief. Als je rhesusfactor positief is betekent het ,dat je het stofje meedraagt op je bloedcellen. Het overgrote deel van de mensen is rhesus positief: ongeveer 85%.
Als je rhesusfactor negatief is betekent dat, dat je het stofje NIET met je meedraagt. Hier heb je in het gewone leven geen last van en het is ook niet schadelijk. Tijdens de zwangerschap is er echter iets bijzonders.
Het is mogelijk dat je zwanger bent van een rhesuspositief kind. Rond de 30e week van de zwangerschap zie je dat de placentawanden wat dunner worden en hierdoor het risico iets toeneemt dat bloedcellen van moeder en kind met elkaar in contact komen. Dit kan bijvoorbeeld door te hard te vallen, hard te stoten en soms gewoon zomaar.
Wat er gebeurd als de bloedcellen van moeder ( zonder stofje ) en de bloedcellen van het kind ( MET stofje ) elkaar ontmoeten is dat de moederlijke bloedcellen antistoffen gaan maken tegen de bloedcellen van het kind. Haar bloedcellen herkennen die van het kind immers niet. Als er antistoffen gemaakt worden tegen de bloedcellen betekent het dat deze worden afgebroken. Een kindje krijgt hier bloedarmoede van.
Voor alle duidelijkheid: dit geldt alleen voor rhesus-negatieve moeders!
Om dit alles nu te controleren doen we bij 30 weken een bloedtest. We kijken of je de antistoffen aan het maken bent.
Sinds 1 juli 2008 krijgen alle rhesus-negatieve moeders met 30 weken ook een injectie met anti-D.
Anti-D zorgt ervoor dat de paar bloedcellen van de baby die het gevaar lopen met de moederlijke bloedcellen in contact te komen, weggevangen worden voordat de moederlijke bloedcellen ze tegenkomen en antistoffen gaan maken. Op deze manier voorkomen we dat de antistoffen ontstaan.
Na de bevalling de rhesusfactor van de baby bepaald. Dit gebeurd via het bloed van de navelstreng. Als de baby inderdaad rhesuspositief blijkt te zijn, krijg je nogmaals een prik met anti-D.
Bij dit verhaal moet wel worden opgemerkt dat de antistoffen die in deze zwangerschap ontstaan in zeer geringe mate schadelijk zijn voor dit kind. Een eventueel volgend kind wordt al vanaf het begin van de zwangerschap geconfronteerd met de ontstane antistoffen en heeft er dus wel veel last van.
Irregulaire antistoffen: Dit zijn antistoffen die je niet hoort te hebben. Ze komen ook maar heel weinig voor. De gevolgen van deze antistoffen zijn vergelijkbaar met de gevolgen van de rhesus-antistoffen. Als deze antistoffen worden aangetoond, wordt er nader onderzoek gedaan naar de soort en het beste beleid.
Hepatitis B: Dit is een leverinfectie. Je lever heeft veel belangrijke functies. Door een ontsteking van de lever worden deze functies niet meer goed uitgeoefend. Hepatitis bij kun je bij je dragen zonder dat je het merkt. In de zwangerschap zal de baby niet besmet raken met het virus, maar tijdens de geboorte kan de baby er wel mee in aanraking komen en alsnog besmet raken. Als we weten dat je Hepatitis B bij je draagt, kunnen we besmetting voorkomen. Als blijkt dat je drager bent van het virus zullen we dit allemaal met je bespreken. Hepatitis B komt maar weinig voor onder zwangeren.
HIV: Dit is het virus dat uiteindelijk AIDS veroorzaakt. Het komt maar erg weinig voor Nederland. Toch is besloten dat alle zwangeren getest moeten worden op HIV. Als blijkt dat je HIV hebt, moet je gecontroleerd worden in het ziekenhuis. Er zijn tegenwoordig heel goede medicijnen tegen HIV, die ervoor kunnen zorgen dat de kans dat de baby besmet wordt met het HIV virus erg klein is.
Syfilis: Dit is een geslachtsziekte, ook wel Lues genaamd. In het begin van de zwangerschap beschermt de placenta de baby hiertegen. Later in de zwangerschap kan de baby er ook door geïnfecteerd raken. De ziekte moet daarom zo vroeg mogelijk in de zwangerschap behandeld worden. Als blijkt dat je syfilis hebt wordt je doorverwezen. Syfilis komt maar erg weinig voor in Nederland.
Hb: (ijzergehalte) IJzer in je bloed is verantwoordelijk voor het vervoeren van zuurstof. Als je ijzergehalte in je bloed laag is, is het vervoer van zuurstof in het bloed ook niet optimaal. De baby neemt wat hij nodig heeft en heeft er geen last van. Jij kan je daarentegen wel extreem moe voelen, last hebben van hartkloppingen of van hoofdpijn. We prikken je ijzer na de eerste controle en ergens rond de 30e week van je zwangerschap.
Glucose: (suikergehalte) Een hoog glucosegehalte kan een aanwijzing zijn voor het ontwikkelen van zwangerschapsdiabetes.
We testen je glucose uitgebreider als er sprake is van een van de volgende twee zaken:
- Als je BMI ( body-mass-index ) hoger is dan 30
- Als je grote kinderen hebt gebaard in het verleden.
De kans op zwangerschapsdiabetes is in deze gevallen hoger. De uitgebreidere test die dan gedaan wordt is de ontbijtcurve. Dit wordt tweemaal geprikt in de zwangerschap: rond de 24 weken en de 32 weken.
De ontbijtcurve bestaat uit 3 prikmomenten:
- Nuchter
- 1 uur na het ontbijt
- 2 uur na het ontbijt
Op deze manier krijgen we een goed beeld van hoe je lichaam reageert op wat je eet en of je bloedsuikers goed geregeld zijn.